to know how smart farm animals are? *

Vorige week riep de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) op te stoppen met het gebruik van antibiotica bij gezonde dieren in de veehouderij. Gelukkig zijn we in Nederland al op de goede weg. In acht jaar tijd hebben Nederlandse boeren en veeartsen een reductie van 64,4 % in antibioticagebruik gerealiseerd. Dat is fantastisch, maar is een nog verdere reductie haalbaar?

De Nederlandse veehouderij is volledig gericht op efficiënte productie. Dat zorgt voor o.a. stress en een verminderde weerstand bij de dieren, waardoor ze vatbaarder zijn voor infecties en de gevolgen daarvan groter zijn. Antibiotica moet daarom geregeld nog gegeven worden als ‘koppelbehandeling’. Door het houden van bijvoorbeeld 100.000 kippen in één stal, heeft een infectieus agens vanzelfsprekend meer kans toe te slaan, en is het onmogelijk een individueel dier te behandelen. Dan moet de gehele stal antibiotica hebben. Kalveren (restproducten van de melkveehouderij), afkomstig van verschillende bedrijven en zelfs uit verschillende (Oost-) Europese landen, staan bij elkaar op harde en gladde roostervloeren, om uiteindelijk als kalfsvlees te kunnen worden verkocht. Hierdoor komen ze met verschillende (voor hen nog onbekende) infectieuze kiemen in contact, vaak na een lang, uitputtend en stressvol transport. Tevens krijgen ze, om het vlees blank te houden, ongeschikt voer met o.a. afwijkend gedrag, bloedarmoede en maagzweren tot gevolg. Dus ook in deze sector moet antibiotica nog veelvuldig worden ingezet.

Deze voorbeelden illustreren dat de huidige productiewijze, ondanks de goede inzet van veehouders en dierenartsen, ferme grenzen stelt aan het terugdringen van het antibioticagebruik. We kunnen dit probleem niet isoleren van andere aspecten van de huidige veehouderij, met name dierenwelzijn. Immers, laag welzijn – bijvoorbeeld dicht op elkaar leven, geen buitenlucht, gebrek aan beweging en niet bij de eigen moeder kunnen opgroeien om antistoffen te ontwikkelen- ­bevordert ziektes en dus antibioticagebruik.

Dierenwelzijn is integraal onderdeel van diergezondheid. Dankzij wetenschappelijke ontwikkeling weten we steeds meer over het gedrag en welzijn van gedomesticeerde landbouwdieren. De ‘Quality of Life’-systematiek van de WHO, waarin humane gezondheid uitdrukkelijk meer is dan ‘afwezigheid van ziekte’, is eveneens toepasbaar op landbouwhuisdieren, zo stelde  de Engelse ‘Farm Animal Welfare Council’ voor in 2009. Uitgangspunt is hierbij dat ieder dier ‘een leven waard om te leven’ verdient.

We zijn als mensen onderhand slim genoeg om te beseffen dat dierenwelzijn niet los staat van de andere gevolgen van de veehouderij, zoals klimaatverandering, mestoverschotten en antibiotica-resistentie. We hebben genoeg onderzoek gedaan om te weten wat landbouwhuisdieren, van groot tot klein, nodig hebben om zich prettig te voelen, soorteigen gedrag te kunnen tonen en weerstand tegen infecties op te bouwen. Als we deze kennis en intelligentie gaan benutten, komt dat niet alleen de dieren maar ook onze eigen gezondheid en onze leefomgeving ten goede.

Caring Vets

* titel vrij naar boek Frans de Waal