Op dinsdag 12 september vond de laatste discussiebijeenkomst duurzame dierhouderij plaats. Een groep van 30 dierenartsen met verschillende achtergronden ging na inleidingen van de Caring Vets en KNMvD het gesprek aan over de rol van de dierenarts bij de verduurzaming van de veehouderij.

Ook nu weer was er aan het begin behoefte om duidelijk te krijgen wat we precies onder duurzaamheid verstaan. Duurzaamheid gaat immers verder dan dierenwelzijn. Als we ons als dierenartsen willen mengen in dit maatschappelijke debat dan kunnen we dat het beste vanuit onze eigen expertise doen: diergezondheid, dierenwelzijn en veterinaire volksgezondheid. Daarnaast is het belangrijk dat we het begrip dierenwelzijn beter definiëren. De vijf vrijheden van Brambell zijn in dat opzicht misschien te star. Het is bijvoorbeeld geen aantasting van het welzijn op de lange termijn als dieren soms kortdurend pijn of honger hebben. De visie op dierenwelzijn evolueert. Zo hanteert de faculteit Diergeneeskunde tegenwoordig als definitie dat een dier in een staat van welzijn verkeert wanneer het in staat is zich actief aan zijn levensomstandigheden aan te passen en daarmee een toestand kan bereiken die het als positief ervaart.

Een vraag die centraal stond was of dierenartsen zich niet meer als onafhankelijk expert zouden moeten kunnen opstellen? Dat heeft onder andere te maken met de verschillende belangen (dier, veehouder, sector, maatschappij) die de dierenarts continu moet afwegen. Er zijn grote verschillen hoe collega’s en praktijken daarmee omgaan. Sommige collega’s zien de dierenarts puur als dienstverlener, anderen vinden dat je als dierenarts ook verantwoordelijkheden hebt richting dier en maatschappij. Op het gebied van duurzaamheid worden soms (commerciële) concepten gelanceerd die achteraf juist negatief uitpakken voor het welzijn. Inbreng van dierenartsen kan dat wellicht voorkomen maar de beroepsgroep wordt in de ontwikkelfase onvoldoende betrokken. Een van de oorzaken daarvan is misschien het ontbreken van duidelijke standpunten over vanuit de beroepsgroep waardoor we niet aan tafel worden gevraagd. Dierenartsen werkzaam binnen de voedingsindustrie waar deze concepten ontwikkeld worden hebben juist behoefte aan dit soort standpunten. Dierenartsen zouden hun visie op de ontwikkelingen in de veehouderij kenbaar kunnen maken, bijvoorbeeld door een periodieke aanbevelingsbrief.

De economische context van de veehouderij is belangrijk. Dierenwelzijn heeft baat bij boerenwelzijn. Het zou voor de dieren wel eens beter kunnen zijn als we in Nederland een sterke veehouderijsector behouden. In het buitenland zijn de standaarden voor dierenwelzijn vaak lager. Duurzaam betekent ook economisch levensvatbaar en retail en banken hebben daar een belangrijk aandeel in. Dierenartsen zouden door het bewust maken van consumenten sturend kunnen zijn.

Uiteindelijk is de meerderheid van de aanwezigen het eens dat de KNMvD kleur moet bekennen. Dat betekent ook dat de KNMvD proactief moet zijn en snel kan reageren op actualiteiten. Standpunten moeten evidence based zijn en dierenartsen moeten de gelegenheid krijgen om input te leveren. Vanwege de grote diversiteit in de beroepsgroep ligt het primaat voor een standpunt in eerste instantie bij dierenartsen met expertise van de specifieke sector. Het is echter goed om de visie van andere collega’s te betrekken om tunnelvisie te voorkomen.

Na deze laatste discussiebijeenkomst gaan KNMvD en Caring Vets op korte termijn samen om tafel om te praten over het vervolg. De bedoeling is om tijdens de Nationale Veterinaire Najaarsdag op 25 november duidelijk te maken waar we staan en welke stappen de KNMvD zal gaan zetten. Tijdens die dag zal veel aandacht zijn voor de rol van de dierenarts bij de verduurzaming van de dierhouderij. Zet 25 november vast in de agenda en hou de website van de KNMvD in de gaten voor het programma!