In Sittard heeft een vrouw samen met haar dochter jarenlang dieren verwaarloosd en de nodige zorg onthouden. Broodmagere dieren werden meermaals weggehaald om vervolgens vervangen te worden voor nieuwe dieren die hetzelfde lot ondergingen. Mevrouw wilde niet te veel voeren, “want dan kakken ze zo veel”. Ze vergat een pony die ze voor straf had opgesloten en zowel deze pony als honden en diverse andere dieren zijn tengevolge van verwaarlozing gestorven. Sommige dieren konden nog net op tijd gered worden. Landelijke Inspectie Dienst en dierenpolitie zijn al jaren bezig met deze zaak, en worden daarbij door de dame in kwestie steevast hevig uitgescholden.

De zaak kwam dit voorjaar eindelijk voor de rechtbank.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachten de nodige verzorging hebben onthouden en stelt verder dat de situatie van de dieren in de woning van de verdachte heel zorgelijk is. De dieren zijn afhankelijk van de verdachte en de medeverdachte. De eis van de officier van Justitie was een taakstraf van 80 uren en 1 maand gevangenis straf voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte geen dieren meer mag houden.

De rechter was het met de officier van justitie eens wat betreft de tenlastgelegde feiten tegen beide vrouwen en bevond hen schuldig hieraan. Als straf werd een voorwaardelijke taakstraf van 50 uren opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar waarin beide verdachten geen dieren mogen houden, op ieder 2 na. De overige dieren moeten binnen een maand nadat het vonnis onherroepelijk is, weg zijn.

In de toelichting op de straf worden de verstandelijke beperking en psychische omstandigheden van de verdachten aangedragen als reden voor de lagere straf. Echter, de laatste overweging die genoemd wordt is opmerkelijk:

‘We hebben nu een heel naar dossier gezien van huisdieren, maar we moeten ons voor ogen houden dat het ook bij huisdieren ‘slechts’ om dieren gaat en hoe we in Nederland in het algemeen met dieren omgaan. Als je zou gaan kijken in de industrie, de veehouderij, en hoe daar dieren worden gehouden, zou je daar immers voortdurend situaties kunnen uitlichten die tot soortgelijke nare dossiers zouden leiden. Dat accepteren we echter en dat relativeert het verwijt dat we aan de verdachten kunnen maken.’

Hieruit valt op te maken dat de bio-industrie als een tak van ondernemen gezien wordt waar dieren regelmatig de nodige zorg wordt onthouden. De Wet Dieren wordt hier immers dagelijks overtreden zonder juridische gevolgen.

Dit varieert tot het onthouden van voer, bij bijvoorbeeld de ouderdieren van vleeskuikens, die niet net als hun nakomelingen zo snel mogelijk moeten groeien en daardoor continue honger moeten lijden, tot het overschrijden van andere wetsartikelen: van het volgens de wet verplichte afzonderen van en individuele zorg geven aan zieke en zwakke dieren tot het staarten couperen bij biggen.

Dieren moet zoveel mogelijk kunnen leven volgens hun natuurlijke behoeften, bij varkens is dit onder andere wroeten en een nest maken voor hun biggen. Dieren moeten zonder chronische angst en stress kunnen leven; dit is niet het geval wanneer een zeug in een kooi opgesloten zit en niet naar behoren voor haar biggen kan zorgen, of in het geval van jonge dieren die te vroeg bij hun moeder worden weggehaald. Kalver-, biggen- en geitenlammer- sterfte is mede hierdoor zeer  hoog in de intensieve veehouderij.

De uitspraak van de rechter in Sittard kan zodanig geinterpreteerd worden dat de behandeling van dieren in de bio-industrie een geaccepteerde vorm van verwaarlozing van dieren is. Dat dit het verwijt aan de verdachten relativeert is een slechte zaak voor de dieren.

De maatschappelijke discussie over hoe om te gaan met dieren, met name met dieren die als voedsel dienen, over duurzaamheid, over milieu en klimaat, komt niet uit de lucht vallen. Standpunten worden steeds duidelijker maar ook harder, zoals de bezetting van de varkensstal in Boxtel onlangs liet zien. Het geeft aan dat de maatschappelijke moraal betreffende dierenwelzijn bezig is met een omwenteling, waarbij de conservatieven zonder enige vorm van zelfreflectie de hakken steeds vaster in het zand zetten en het voor diegenen die het anders willen, niet snel genoeg kan gaan. De wet blijft hierbij achter en leidt tot een rechterlijke spagaat.

Echter, bestaande wetten dienen consequent gehandhaaft te worden. Mishandeling en verwaarlozing van dieren, waar en door wie dan ook, dienen bestraft te worden. Het justitiële apparaat dient zich in elk geval te houden aan de Wet Dieren, ook of misschien wel juist, bij mensen die vanuit economische of psychische noodzaak dieren houden.

Dan rijst de vraag: moet de wet niet opkomen en zorgen voor de zwaksten in de samenleving, diegene die bescherming behoeven, en is dat in het geval van dierverwaarlozing en mishandeling niet het dier?

Overigens hebben de vrouwen uit Sittard hoger beroep aangetekend. Het houden van dieren raakt aan hun bestaan, ze willen zoveel dieren houden als ze wensen. En in Boxtel zijn de boeren en hun medestanders vooral verontwaardigd over het in hun stal komen van ongewenste burgers.

In beide gevallen wordt daarmee de aandacht afgeleid van waar het werkelijk om zou moeten gaan: Wat vinden wij als maatschappij een aanvaardbare manier om met dieren om te gaan? Welke definities van dierenmishandeling, verwaarlozing, onthouden van “noodzakelijke zorg” passen daarbij en “wat is een goed dierenleven”? Daar is momenteel geen consensus over en wringt de schoen inmiddels behoorlijk.

Uiteindelijk zijn de dieren daardoor aan willekeur overgeleverd en daarmee keer op keer de grote verliezers.

Bron rechtszaak:

ECLI:NL:RBLIM:2019:4269 – Rechtbank Limburg, 08-05-2019 / 03-014338-19

https://linkeddata.overheid.nl/front/portal/document-viewer?ext-id=ECLI:NL:RBLIM:2019:4269