Langzaam durft Nederland weer na te denken over een wereld ná de coronacrisis. Een pandemie als deze willen we nooit meer meemaken. Toch moeten we in dat geval het roer durven omgooien. Het COVID-19 virus dat deze crisis veroorzaakte is een zoönose, dat wil zeggen een ziekte die van dier op mens is overgegaan. In dit geval van wilde dieren die in China gefokt en verhandeld worden op de zogenaamde wet-markets. Hoewel de beelden van deze markten er afschuwelijk uitzien, is de manier waarop wij met landbouwhuisdieren omgaan niet veel anders. Ook wij vinden het acceptabel om dieren zo goedkoop mogelijk te fokken en verhandelen om onze wens naar goedkope dierlijke producten te bevredigen. Wij accepteren daarbij dat dieren ernstig lijden en ecosystemen hier en elders in de wereld aangetast worden en verdwijnen.

Al tientallen jaren waarschuwen virologen voor een pandemie veroorzaakt door een ziekteverwekker die van dieren afkomstig is. Corona werd wel genoemd als mogelijke oorzaak, maar een nieuwe streng van influenza (griep) die erg besmettelijk en hoog pathogeen zou zijn werd als grootste kanshebber gezien. 

Influenza komt niet alleen voor bij de mens, maar ook bij varkens en kippen. De diersoorten die wij in onze huidige intensieve veehouderij in potdichte stallen houden om onder andere de kans op een besmettelijke (dier)ziekte te voorkomen. Waar iedereen die naar binnen wil (zoals personeel, dierenartsen of voedingsadviseurs) zich eerst in een sluisconstructie moet douchen, zich daarna moet aankleden met kleding van het bedrijf zelf, inclusief plastic handschoenen, haarnetje en mondkapje, voordat de stal betreden mag worden. Er wordt rekening gehouden met speciale “looplijnen” – van afdelingen met jonge dieren naar afdelingen met oude dieren- en vaak is zelfs per verschillende leeftijdscategorie nóg een keer omkleden vereist: andere kleur overal, laarzen en nieuwe handschoenen aan. Ramen en deuren zijn te allen tijde gesloten en de dieren krijgen via automatisch gestuurde ventilatoren met filters hun “frisse” lucht. 

Om in de zomer oververhitting van de dieren tegen te gaan moeten de daken van dergelijk hermetisch gesloten veefabrieken soms urenlang worden natgespoten om hoge(re) sterfte te voorkomen. Luchtwassers zuigen de stallucht af en zouden stank- en fijnstofoverlast voor de omgeving moeten verminderen. In de praktijk blijken deze luchtwassers echter vaak onvoldoende te werken. Bovendien gaat er bij de in- of uitvoer van de stallucht via deze ventilatoren of luchtwassers regelmatig wat mis. Waarbij de dieren in de stal stikken wanneer de ventilatie uitvalt óf levend verbranden wanneer er bij een vlam ergens in de stal in een oogwenk een hellevuur ontstaat door de verspreiding van het vuur via de buizen van het luchtwassers systeem en aangewakkerd door de hoge concentratie licht ontvlambare gassen, die ontstaan door het mengsel van mest en urine. De dieren kunnen dan letterlijk geen kant op. 

In deze potdichte en overvolle stallen vindt een virus de perfecte omstandigheden om zich te verspreiden. Door gebrek aan frisse lucht en ventilatie is er een hoge concentratie ammoniak en fijnstof die de gevoelige luchtwegen aantast, wat ervoor zorgt dat de dieren extra vatbaar zijn voor een infectie. In de huidige varkenshouderij heeft een groot deel van de varkens hierdoor – soms ernstige – longafwijkingen. Omwonenden van intensieve veehouderijen hebben overigens om die reden – ondanks de luchtwassers – ook vaker last van hun luchtwegen. Het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’ (VGO), toont aan dat omwonenden van veehouderijen minder goed functionerende longen hebben met meer longontstekingen, en vaker besmet zijn met bacteriën uit de veestapel. Onomstotelijk blijkt dat hierdoor het aantal longontstekingen in Noord-Brabant en Limburg al acht jaar lang 50 tot 60 procent boven het landelijk gemiddelde ligt. 

Het gebrek aan ventilatie in de stal zorgt bovendien voor een hogere luchtvochtigheid, en door het gebrek aan zonlicht, met het voor ziekteverwekkers schadelijke UV-licht, kunnen micro-organismen wekenlang overleven in natte mest op de stalvloeren of in de put. 
Bedenk daarbij dat het immuunsysteem van deze dieren vaak onvoldoende functioneert door de hoge mate van stress, veroorzaakt door de erbarmelijke leefomstandigheden en de uitputting van hun lichaam door snelle groei of hoge productie en het wordt duidelijk dat een virus door al deze factoren gemakkelijker kan infecteren en zich door de enorme hoeveelheid dieren dicht bij elkaar vervolgens snel kan verspreiden. 

Ondanks de genoemde voorzorgsmaatregelen van dichte schuren en hygiëne-sluizen worden elke keer weer stallen met duizenden tot honderdduizenden dieren geruimd als een besmettelijke, bijvoorbeeld zoönotische, dierziekte ergens in de wereld is uitgebroken. Zoals bijvoorbeeld kort geleden in Duitsland waar, door aanwezigheid van aviaire influenza, de vogelgriep die ook voor mensen besmettelijk kan zijn, 10.000 kalkoenen werden gedood. 
Een stal zodanig hermetisch afsluiten dat ongedierte of zelfs vliegen die óók virussen en bacteriën kunnen overbrengen, de stal niet in kunnen is, ondanks de beste en laboratorium waardige hygiëne-protocollen, een utopie. Én, niet geheel onbelangrijk, voor de dieren een ernstige aantasting in hun welzijn. 

Ook al lijkt er geen direct verband te zijn tussen de corona-pandemie en de intensieve veehouderij, er zijn wel indirecte verbanden:
– Een deel van de wilde dieren, verhandeld op de wet-markets, zijn niet meer uit de vrije natuur afkomstig maar worden tegenwoordig “gewoon” gefokt op speciale boerderijen. Een intensieve houderij van, in dit geval geen vee maar van wilde dieren.
– Een ander verband is de verwoesting van hele eco-systemen door bossen, waaronder oerbossen, massaal te kappen om het voer van de miljoenen dieren gehouden in de intensieve veehouderij te produceren. Het leefgebied van wilde dieren en hun virussen wordt hierdoor steeds verder verkleind en komt dichterbij het leefgebied van de mens te liggen.
De uitspraak: “COVID-19 is geen pandemie veroorzaakt door de intensieve veehouderij” klopt daarom maar ten dele. 

In de intensieve veehouderij gaat economisch belang voor dierenwelzijn, de dieren zijn producten zonder intrinsieke waarde. Nóg grotere aantallen nóg beter weg gestopt bewerkstelligt slechts schijnveiligheid voor mensen terwijl het de leefsituatie van de dieren verder verslechtert. 

Het wordt tijd dat we inzien dat de huidige veehouderij niets meer te maken heeft met het romantisch beeld van het platteland, maar een industrie is geworden waar economische belangen voorrang krijgen boven gezondheid van mensen, welzijn van dieren of de bescherming van de natuur.

Deze crisis is een wake up call, het wordt hoog tijd om mondiaal te herzien hoe we met dieren én hun leefomgeving omgaan, niet alleen voor het welzijn van dieren maar zeker ook voor de gezondheid van de mens.

gepubliceerd op Joop.nl